Terug naar huis « Aanbieding   » Point made & taken

zondag 02 december 2012 - 18:33
Test Case Scenario

‘Zal je je alsjeblieft heel goed inpakken?’, had mijn moeder angstig gevraagd; ‘Het is ontzettend koud. Echt waar, ik ben vanochtend naar de T.straat gefietst en ik ben nauwelijks thuisgekomen. Alsjeblieft, pak je dik in. Het is ècht heel koud, Puck, ik overdrijf ècht niet.’

Nee, ze zou vast niet overdrijven. In háár beleving dan.
Dacht ik oneerbiedig.
Maar ik zou in zoverre naar haar luisteren dat ik een muts zou opzetten. Ik had net mijn haar gewassen, en mijn haar blijkt – ik draag het altijd in een vlecht en rol die vervolgens op, dus ik kom mijn haar zelf eigenlijk nooit in volle glorie tegen – het blijkt inmiddels tot mijn achterwerk te komen. Een meter kletsnat haar bij vrieskou is geen goed idee, ongeacht hòe vries die kou werkelijk is.
Dus ik wikkelde alle natheid tot een knoedel, draaide er een elastiek om, daaromheen een grote sjaal en verborg deze wanorde onder mijn net opgegraven ijsmuts.

Eenmaal buiten bleek ‘overdrijven’ nog een understatement te zijn geweest. Er heerste een hyperfrisse lentetemperatuur, maar niet erger dan dat.
Tegen dat ik mijn moeder in de W.straat ontmoette was het onduidelijk of ik nat werd van mijn eigen zweet of van mijn haar, dus ik besloot in elk geval één laag uit te trekken. De sjaal bleef op mijn hoofd, maar de muts ging af.

Zorgelijk vroeg ik moeder: hoe zie ik er uit? Is het niet slordig?
‘Nee, keurig.’, was het antwoord. ‘Maar je ziet er wel uit als een kankerpatiënt. Een prachtige kankerpatiënt, je bent evengoed beeldig, maar niettemin: een kankerpatiënt.’

Haar ‘gruwelijke koude’ indachtig meende ik dat ik ook deze kwalificatie wel met een korreltje zout kon nemen.
Maar toen ik mezelf even later in een etalageruit zag, moest ik haar gelijk geven.
Mijn sjaalwikkelwerk was van een onnavolgbare perfectie. Strak, recht, nog geen enkele dwarse haar kwam er onder vandaan pieken. Ik had er van mijn leven nog niet zo kaal uitgezien.
Dat mijn grauwheid, veroorzaakt door een doorwaakte nacht en schreeuwende rugpijn, zelfs in de winkelruit nog bijna lichtgevend terugkaatste, hielp het algehele ziekelijke beeld niet.
‘Kan ik niet gewoon doorgaan voor een hele orthodoxe moslim..?’, probeerde ik nog.
Nee, zei mijn moeder zeer beslist. Kankerpatiënt.

Nou ja. Het moest maar.
Ik kreeg die sjaal ook niet zomaar weer los.
Ik rechtte mijn rug, voor zover mogelijk, en wandelde Albert Heijn binnen.
Personeel en klanten behandelden me als glas. Ook al kom ik – letterlijk – minstens twee keer per dag bij de AH in kwestie, en zouden ze zich toch wel moeten kunnen herinneren dat ik gisteren nog bakken vol haar, zònder sjaal, had.
Van de ene op de andere dag was ik veranderd in een ziek vogeltje, en werd ook als zodanig benaderd.
Ik werd er zenuwachtig van. Daarbij begon mijn schedel storend koud en klam aan te voelen; er droop een straaltje water onder alle stoffen lappen door over mijn rug, en ik moest heel nodig naar de wc.
Ik vergat acuut alle karrenvrachten boodschappen die ik had gepland; pakte enkel een zakje muffins en vertrok, gewapend met een bekertje koffie, naar de kassa.

Daar stond ik, in de kortste rij maar wel achter een mevrouw met drie maanden aan boodschappen op de band.
Ze keek naar me.
Naar mijn chemolook, de kruk die ik standaard meezeul en naar mijn ene artikel.
Ze glimlachte vriendelijk. Warm en zacht.
En draaide zich weer om.

En liet me niet even voorgaan!!!

Nou heb ik een dingetje.
Een probleem met principes enzo.
Ik hoef helemaal nooit vóór te gaan.
Ik weiger zelfs regelmatig, als het me wordt aangeboden. Evenzo met zitplaatsen. Nee hoor ik heb geen haast, nee hoor, ik sta prima.
Maar ik vind wel dat mensen het hóren aan te bieden. Zeker.. eeh.. *kuch*.. jongeren.
Het is duidelijk dat er iets met me mis is, lichamelijk dan (over de rest hebben we het even niet), en ik vind dat het een kwestie van beschaafdheid is om iemand-met-wie-iets-is hulp te bieden. Niet mij specifiek en in het bijzonder, maar gewoon, in het algemeen.
Maar daar stond ik. Met mijn overduidelijke chemo en mijn loopproblemen en mijn ene zakje. Achter die mevrouw die zich zeer bewust was van al deze factoren, en niettemin vrolijk al haar twee miljoen boodschappen liet scannen.
Om, eenmaal klaar, zich nog eens naar me om te draaien en wederom maar nu exponentieel bezorgd en zorgzaam naar me te glimlachen.

Groot verontwaardigd WTF-end liep ik naar mijn wachtende moeder.
Dat ik helemaal gechemood en gehandicapt gewoon had moeten staan wachten!
Ja, ook zij vond het een schande.
Zozeer dat ze aanbood om de mevrouw in kwestie een draai om haar oren te geven.
Mijn moeder kan nogal primair – om niet te zeggen: primitief – reageren.
Dat vond ik ook weer wat overdreven.
Vooral gezien het feit dat er net twee politiemannetjes naar binnen waren gekomen. En, oh ja, het kleine detail dat ik gewoon alleen maar moe en vers gewassen en MS-ig was, en in het geheel niet gechemood.

Maar toch.
Het had gekund.

En dat, lieve H., is wat ik had willen antwoorden, toen je me eeuwen geleden mailde of mijn doemscenario’s, mijn ‘wat nou als…’-angsten, zich beperkten tot mijn fobieën, of door het hele dagelijkse leven heen speelden.
Nee, geen actieve, concrete angsten.
Wel principes; ‘principiële leugens’ en principiële verontwaardiging.

‘Het is niet zo.
Maar wat nou àls het wel zo was?
Het had gekund.
En het is een grove schande dat u – mevrouw, meneer, overheid en instantie – zo voorbijgaat aan eventuele mogelijkheden en mogelijke eventualiteiten. Zo onnadenkend heenwalst over nuances, details.
Zwaar mis-handeld, voel ik mij, in mijn hypothetische kwetsbaarheden.’

Want wat nou als… het ééns zo zal zijn, en ik dan op u moet kunnen rekenen…?


  
Persoonlijke info onthouden?

Om commentspam te voorkomen vragen we je om antwoord te geven op de 'silly question'
 



Verberg email:

Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of email-adres in te typen.