§ | 20:59
Boodschap
En toen kreeg mijn vader een hartaanval. Of in elk geval, zo bracht hij het. Of in elk geval, nou ja, hiero:
Ik kom dus thuis, helemaal naar en ellendig want te warm en moe enzo, en mijn vader zegt: ‘Vanmiddag belt Dokter Huisarts.’.
Nadrukkelijke stilte, duidelijk bedoeld om door mij opgevuld te worden door ‘och hemel lieve man waarom dan toch??’
Wat ik deed, in de vorm van ‘Oh. Wrom?’.
‘Ik liep het balkon op en ineens....’
Intussen dook ik de koelkast in, en dat was toch net iets te weinig aandacht, dus het verhaal dat zo spannend en dreigend begon brak onmiddellijk weer af.
Ja, en toen??, drong ik vanuit de koelkast aan.
‘Ik liep het balkon op en ineens kreeg ik heftige pijn op mijn borst.’
Oh. Hm. Dat was toch wat serieuzer dan verslagen uit het verleden, die ook waren begonnen met ‘vanmiddag belt Dokter Huisarts’.
‘Dus ik heb meteen de assistente gebeld; die heeft wat vragen gesteld en gezegd dat ze niet dacht dat het heel urgent was, maar dat de dokter in elk geval zou bellen. Maar ik heb nu nog steeds pijn.’
Heb je ook pijn in je linkerarm?
‘Dat vroeg zij ook. Nee.’
Hartkloppingen? Benauwdheid, een band om je borst?
‘Nee, dat vroeg zij allemaal ook, allemaal nee. Maar wel ineens stekende pijn.’
Ik zou me maar geen zorgen maken, eerst eens zien wat Huisarts zegt.
‘Ja, dat wou ik ook doen.
Maar het is vervelend, ik heb geen idee hoe laat hij belt. Nou moet ik thuisblijven, en ik was van plan om her en der boodschappen te gaan doen.’
Ook een laatste avondmaal moet natuurlijk worden aangeschaft, dat vergeten mensen nog weleens.
Nou ja. Ik ga nu slapen, als je alsnog doodgaat moet je me maar roepen.
Na mijn tukje kwam ik even polshoogte nemen.
Leef je nog?
‘Ja... ja. Maar het trekt nog steeds, hier. Heel vervelend. ‘
Wat is er nou precies gebeurd?
‘Nou, ik was bezig op het balkon, en ik hoorde allemaal geluid en ik wilde zien wat het was. Ik boog me over de reiling heen om naar beneden te kijken. Kennelijk is er iemand aan het verhuizen, want er stond allemaal inboedel op de parkeerplaats, en zo’n grote wagen van de kringloop, en...’
Dat kenmerkt een groot mens: om in zijn doodstrijd nog steeds aan anderen te denken. Ook al is dat, in dit geval, in de vorm van je reinste volksvrouwen-nieuwsgierigheid.
Afijn. Wat hem uiteindelijk nog steeds het meeste dwarszat was dat hij wachten moest met boodschappen doen.
De huisarts belde uiteindelijk tegen zessen. Bijna had ik gehoopt dat mijn vader erin zou zijn gebleven, gewoon uit principe: beetje raar - om geen termen als ‘schandalig’ en ‘nalatig’ in de mond te nemen - dat een huisarts afgaat op het telefonisch oordeel van zijn assistente en een man van 75 meer dan zes uur lang met pijn op de borst laat wachten.
Maar erin blijven is zo... blijvend, en dat zou toch weer wat jammer zijn.
Vanavond, anderhalve dag later, bleek hij toch niet helemaal ok.
‘Ik vind de kleuren mooi’, zei hij over een effen leigrijs jurkje.
Kleuren zien op een groot grijs vlak, dat lijkt me duiden op stevige neurologische schade.
Maar het kan natuurlijk ook heel goed dat ik hem verkeerd heb verstaan.
woensdag 01 juli
§ | 13:41
On-taminatie
De voorganger stuurde me een liturgie-opgave, kennelijk in haast gemaakt, op basis van het document van de vorige.
Bovenaan de bladzij stond, bij opmerkingen: "plaatje Maria en marthaacheus". Toen ik voor de lol Marthaacheus in Google gooide, gaf die als eerste resultaat:
Wow. Google wordt slimmer en slimmer.
De voorganger stuurde me een liturgie-opgave, kennelijk in haast gemaakt, op basis van het document van de vorige.
Bovenaan de bladzij stond, bij opmerkingen: "plaatje Maria en marthaacheus". Toen ik voor de lol Marthaacheus in Google gooide, gaf die als eerste resultaat:
My Descent from John Clough
Martha, b. 21 March 1654; m. Cornelius Page, son of John Page. Samuel, b. 26 Feb. ...
Zacheus and Sarah moved early to Poplin, NH (now Fremont, NH). ...
Wow. Google wordt slimmer en slimmer.
woensdag 17 juni
2 | 22:09
Work in progress
(...)
Ik bedoel maar. Dat u niet denkt dat ik nooit meer schrijf. Alleen: niet voor u. Writer's block and all.
Dit was een ongelukje, eigenlijk; noem het een oprisping.
Beste Allemaal,
U krijgt deze mail omdat u voorganger of organist bent in één van de kerken van Plaatselijk Gesticht (PG), of op andere wijze een bijdrage levert aan de diensten aldaar (bijv. als contactpersoon van een koor).
Zoals u weet maak ik al enige jaren de liturgieboekjes voor de kerkdiensten van PG.
Al die jaren is de uiteindelijke productie en verspreiding van de boekjes verzorgd door het grafisch centrum van PG. Vanaf deze week wordt deze taak overgenomen door het grafisch centrum van DagActiviteitenCentrum (DAC).
Hierdoor verandert er een aantal zaken, waarvan twee nu van belang zijn:
Ten eerste het feit dat DAC in AndereStad zit, en niet meer in OnzeStad, dichtbij de kerken.
Voorheen was het danwel ‘voorschrift’ om het materiaal ten minste twee weken tevoren bij mij in te leveren, zodat ik ten minste tien dagen vóór de dienst de bestanden naar het grafisch centrum kon sturen - het was niettemin mogelijk om in noodgevallen de boekjes nog op de woensdag vóór de zondagse dienst te drukken en verspreiden.
Vanaf nu kan dat niet meer. Op de tweede vrijdag, uiterlijk de maandag voor de zondagse dienst (dus negen, uiterlijk zes dagen tevoren) móeten de bestanden bij DAC aanwezig zijn.
Ik wil u daarom dringend verzoeken om het materiaal op tijd bij mij in te leveren. Het maakt, in dit geval, niet meer uit of ik me haast, of extra tijd vrijmaak: het kan eenvoudig maar tot een bepaalde dag naar de drukker worden gestuurd.
Het tweede punt betreft de verspreiding naar u.
Dhr N., die de vaste leiding in het grafisch centrum had en altijd aanwezig was, had al uw adressen en kon de boekjes zonder meer naar u opsturen. DAC werkt met wisselende krachten, en ik zal hen daarom steeds de adressen moeten opgeven.
Bijgesloten vindt u een document met adressen.
Om er zeker van te zijn dat ik uw adresgegevens goed heb, zou ik u willen vragen deze na te kijken, of, als u in het geheel niet op de lijst staat, uw gegevens aan mij door te geven.
Ik ben me er terdege van bewust dat niet iedereen het op prijs stelt dat adressen algemeen bekend zijn en worden rondgezonden. Ikzelf zou het, eerlijk is eerlijk, niet prettig vinden. Toch heb ik, na lang overwegen, besloten het op deze manier te doen; erop vertrouwend dat u met discretie met andermans gegevens omgaat.
Mijn oprechte excuses als dit een verkeerd besluit was.
Ik hoop op uw hulp, en zie uit naar uw reactie.
Hartelijke groeten,
Puck
(...)
Ik bedoel maar. Dat u niet denkt dat ik nooit meer schrijf. Alleen: niet voor u. Writer's block and all.
Dit was een ongelukje, eigenlijk; noem het een oprisping.
maandag 25 mei
1 | 19:06
Meelijdend
Volledig voorbijgaand aan mijn eigen voornemen om niet meer met klachten naar de neuroloog te rennen, meldde ik me vanmiddag met duizeligheid in zijn spreekkamer. Want dat is zo'n nieuwe klacht..
Na het inmiddels bekende rondje tests - loop eens als een koorddanser, laat je tanden eens zien, raak eens met je wijsvinger het puntje van je neus aan - zei hij: 'raak eens met je wijsvinger het puntje van mijn neus aan'. Wat ik verbluffend ongepast en grensoverschrijdend van hem vond.
Gelukkig bleek hij gewoon moe (lange dag, netwerk down, alle gegevens kwijt, etc) en bedoelde hij dat ik met mijn vinger zijn vinger moest aanraken.
Aan het eind van het gesprek zei hij dat hij het wel relaxed vond om middels een echo vooraf het geslacht van een aanstaand kind te weten.
Welke woordkeus zó ongebruikelijk was, voor de hoogbejaarde die hij als verder fitte veertiger vaak is, dat eens te meer bleek dat hij zijn dag niet had.
Et tu, Brute, dacht ik, geheel tegengesteld aan hoe Caesar het ooit bedoelde.
Volledig voorbijgaand aan mijn eigen voornemen om niet meer met klachten naar de neuroloog te rennen, meldde ik me vanmiddag met duizeligheid in zijn spreekkamer. Want dat is zo'n nieuwe klacht..
Na het inmiddels bekende rondje tests - loop eens als een koorddanser, laat je tanden eens zien, raak eens met je wijsvinger het puntje van je neus aan - zei hij: 'raak eens met je wijsvinger het puntje van mijn neus aan'. Wat ik verbluffend ongepast en grensoverschrijdend van hem vond.
Gelukkig bleek hij gewoon moe (lange dag, netwerk down, alle gegevens kwijt, etc) en bedoelde hij dat ik met mijn vinger zijn vinger moest aanraken.
Aan het eind van het gesprek zei hij dat hij het wel relaxed vond om middels een echo vooraf het geslacht van een aanstaand kind te weten.
Welke woordkeus zó ongebruikelijk was, voor de hoogbejaarde die hij als verder fitte veertiger vaak is, dat eens te meer bleek dat hij zijn dag niet had.
Et tu, Brute, dacht ik, geheel tegengesteld aan hoe Caesar het ooit bedoelde.
vrijdag 22 mei
§ | 18:54
Damokles
Tegenover me lag een jongetje aan een infuus. Twee zakken: een hele grote, en een 'gewone'. Prednisonkuur, zei mijn doorgewinterde patiënten-oog.
U krijgt prednison, zei ik hardop.
We zouden een paar uur de zaal delen, dan kan je de voor de hand liggende vragen (hoe heet je, hoe oud ben je, waarvoor ben je hier) maar beter vast uit de weg hebben.
Het was inderdaad prednison.
Heeft u ook MS?. Vroeg mijn doorgewinterde patiëntenmoeder.
'Nee, een oogzenuwontsteking'. Zijn toon was onverschillig, alsof het om een oogontsteking ging, in plaats van een oogzenuwontsteking.
Zowel mijn moeder als ik deinsden figuurlijk achteruit.
Zo klein was hij nog.
Ons vousvoyeren was formaliteit; het jongetje was zeventien, achttien hooguit.
Later bleek dat hij 23 was, maar dan nog.
Zo jong, en dan al MS.
En het erge was: hij had geen idee.
Hij wist niet dat je op jeachttiende drieentwintigste niet zomaar een oogzenuwontsteking kreeg. Dat het eigenlijk altijd MS is, of daar een voorbode van.
Statistieken lopen uiteen van 30 tot 90%, maar mijn eigen neuroloog zei dat de praktijk eerder bij de 90 dan bij de 30 ligt.
En zelfs al is het geen MS: de alternatieven zijn niet veel beter.
Maar hij wist van niets, hij had gewoon een oogzenuwontsteking en alles zou goed komen. Donderdag zou hij wel nog een MRI krijgen. Zijn neuroloog was nogal nonchalant geweest, dat had hij wel irritant gevonden. Net of hij er helemaal niet bij was, of het hem niets kon schelen. Onzorgvuldig. Eikel.
We stelden hem gerust. We kenden zijn neuroloog, hij kon echt geen betere treffen. Hij kon soms wat kortaf zijn, maar onzorgvuldig was hij zeker niet. Als hij een MRI liet doen nam hij het beslist serieus, een MRI was tenslotte geen klein onderzoekje; heel anders dan een eenvoudige bloedprik of rontgenfoto.
Allicht was de neuroloog nonchalant geweest. Wat moest hij anders? Het jongetje direct al zijn vermoedens meedelen?
Hoe veel patienten met een 'OZO' uiteindelijk ook MS kregen: een groot deel daarvan bleef nog jaren zonder verdere symptomen. Wat heb je eraan om direct al te weten dat je met een tijdbom in je lijf rondloopt?
We stelden hem gerust, zonder àl te lief en knuffelig te zijn.
En we duimden: laat hij in vredesnaam niet vragen wat mijn ziekte precies inhoudt, en hoe het was begonnen.
Gelukkig was de gang van zaken zo rommelig, de verpleging zo afwezig en had ik zóveel niet MS-gerelateerde complicaties (een bloeddruk van 90 over 50. Hoe verzin je het??) dat het in de lange uren die volgden geen onderwerp van gesprek werd.
Zelden was ik zo dankbaar voor een gebrek aan organisatie in zieke en huis.
Tegenover me lag een jongetje aan een infuus. Twee zakken: een hele grote, en een 'gewone'. Prednisonkuur, zei mijn doorgewinterde patiënten-oog.
U krijgt prednison, zei ik hardop.
We zouden een paar uur de zaal delen, dan kan je de voor de hand liggende vragen (hoe heet je, hoe oud ben je, waarvoor ben je hier) maar beter vast uit de weg hebben.
Het was inderdaad prednison.
Heeft u ook MS?. Vroeg mijn doorgewinterde patiëntenmoeder.
'Nee, een oogzenuwontsteking'. Zijn toon was onverschillig, alsof het om een oogontsteking ging, in plaats van een oogzenuwontsteking.
Zowel mijn moeder als ik deinsden figuurlijk achteruit.
Zo klein was hij nog.
Ons vousvoyeren was formaliteit; het jongetje was zeventien, achttien hooguit.
Later bleek dat hij 23 was, maar dan nog.
Zo jong, en dan al MS.
En het erge was: hij had geen idee.
Hij wist niet dat je op je
Statistieken lopen uiteen van 30 tot 90%, maar mijn eigen neuroloog zei dat de praktijk eerder bij de 90 dan bij de 30 ligt.
En zelfs al is het geen MS: de alternatieven zijn niet veel beter.
Maar hij wist van niets, hij had gewoon een oogzenuwontsteking en alles zou goed komen. Donderdag zou hij wel nog een MRI krijgen. Zijn neuroloog was nogal nonchalant geweest, dat had hij wel irritant gevonden. Net of hij er helemaal niet bij was, of het hem niets kon schelen. Onzorgvuldig. Eikel.
We stelden hem gerust. We kenden zijn neuroloog, hij kon echt geen betere treffen. Hij kon soms wat kortaf zijn, maar onzorgvuldig was hij zeker niet. Als hij een MRI liet doen nam hij het beslist serieus, een MRI was tenslotte geen klein onderzoekje; heel anders dan een eenvoudige bloedprik of rontgenfoto.
Allicht was de neuroloog nonchalant geweest. Wat moest hij anders? Het jongetje direct al zijn vermoedens meedelen?
Hoe veel patienten met een 'OZO' uiteindelijk ook MS kregen: een groot deel daarvan bleef nog jaren zonder verdere symptomen. Wat heb je eraan om direct al te weten dat je met een tijdbom in je lijf rondloopt?
We stelden hem gerust, zonder àl te lief en knuffelig te zijn.
En we duimden: laat hij in vredesnaam niet vragen wat mijn ziekte precies inhoudt, en hoe het was begonnen.
Gelukkig was de gang van zaken zo rommelig, de verpleging zo afwezig en had ik zóveel niet MS-gerelateerde complicaties (een bloeddruk van 90 over 50. Hoe verzin je het??) dat het in de lange uren die volgden geen onderwerp van gesprek werd.
Zelden was ik zo dankbaar voor een gebrek aan organisatie in zieke en huis.
dinsdag 19 mei
2 | 20:04
Shaken and stirred
Afijn. Ik dus onder de douche, vanochtend vroeg. Extra vroeg, want veel afspraken en bezigheden.
Eenmaal onder de douche bleek de zeep op. Nat en wel hupste ik uit de douche naar de bergkamer, koud en wel hupste ik terug - alleen: aan de verkeerde kant. Aan de linker- in plaats van de rechterkant. Waaròm is me, achteraf bezien, een raadsel.
Weer in de badkuip bukte ik me om de zeep neer te leggen, rechtte toen fris en fit mijn rug. Er zat vaart en kracht achter, zeg maar. Waarbij ik met een gigantische dreun met mijn schedeldak tegen de onderkant van de boiler knalde.
Iets kraakte, en ik wist vrij zeker dat dat niet de massieve boiler was.
Rest van de dag zwakjes op bed, alle afspraken en bezigheden afgezegd.
Wekadvies van de huisarts, hoofdpijn en duizeligheid zal minstens één tot anderhalve week aanhouden.
Ik heb niet mijn week. Ook niet mijn maand of zelfs mijn jaar, for that matter, maar beslist niet mijn week.
Afijn. Ik dus onder de douche, vanochtend vroeg. Extra vroeg, want veel afspraken en bezigheden.
Eenmaal onder de douche bleek de zeep op. Nat en wel hupste ik uit de douche naar de bergkamer, koud en wel hupste ik terug - alleen: aan de verkeerde kant. Aan de linker- in plaats van de rechterkant. Waaròm is me, achteraf bezien, een raadsel.
Weer in de badkuip bukte ik me om de zeep neer te leggen, rechtte toen fris en fit mijn rug. Er zat vaart en kracht achter, zeg maar. Waarbij ik met een gigantische dreun met mijn schedeldak tegen de onderkant van de boiler knalde.
Iets kraakte, en ik wist vrij zeker dat dat niet de massieve boiler was.
Rest van de dag zwakjes op bed, alle afspraken en bezigheden afgezegd.
Wekadvies van de huisarts, hoofdpijn en duizeligheid zal minstens één tot anderhalve week aanhouden.
Ik heb niet mijn week. Ook niet mijn maand of zelfs mijn jaar, for that matter, maar beslist niet mijn week.
zondag 17 mei
2 | 18:38
Oh Joy
'Ik ben van de vrolijke hervormden', converseerde de emeritus predikant onder het genot van een kopje koffie.
Dit na een dienst waarin gebeden en gepreekt werd over de kleinheid en tekortkomingen van de mens; zijn zwaktes en zwartheid, zijn gemakzucht en hoogmoed, en de uit dit alles vanzelfsprekend volgende eenzaamheid; en niet te vergeten de stelselmatige verwoesting van de aarde.
Eens kende ik een meisje van de zware hervormden, dat door haar geloof psychotisch werd.
Het komt me ineens zeer begrijpelijk voor.
'Ik ben van de vrolijke hervormden', converseerde de emeritus predikant onder het genot van een kopje koffie.
Dit na een dienst waarin gebeden en gepreekt werd over de kleinheid en tekortkomingen van de mens; zijn zwaktes en zwartheid, zijn gemakzucht en hoogmoed, en de uit dit alles vanzelfsprekend volgende eenzaamheid; en niet te vergeten de stelselmatige verwoesting van de aarde.
Eens kende ik een meisje van de zware hervormden, dat door haar geloof psychotisch werd.
Het komt me ineens zeer begrijpelijk voor.
zaterdag 16 mei
2 | 23:10
Acuut (2)
Maar ik had plannen, ik had massa’s plannen om massa’s dingen om handen te hebben! Alleen, heel andere dingen. Fietsen, buiten zijn. Niet dit. Dit was te weinig actie en te veel avontuur naar mijn zin.
Woensdag begon het. Nou ja, achteraf bezien waarschijnlijk al maanden eerder, maar dat moet nog blijken.
Woensdagmiddag, bij de lunch.
Ik at een zachte, om niet te zeggen: sponzige, bruine boterham met smeerkaas. Toch niet wat je noemt ‘belastend’, voor tanden en kiezen. Niettemin schoot er vanuit het niets en zonder aanwijsbare reden een pijn vanuit een linkerbovenkies omhoog door mijn kaak en schedel. Hete, snijdende pijn; gruwelijke allesverblindende pijn. Die ook net zo snel weer wegtrok als hij gekomen was. Een drukkende pijn, als van overbelaste kaken, was al wat achterbleef. ‘Bleef’ being the operative word. Hij ging niet weg, werd alleen maar erger.
Tegen vrijdag kon ik niet meer kauwen met links. Dat zou zo’n probleem nog niet zijn, ware het niet dat ik met rechts sowieso niet kauwen kan. En dan niet als in ‘ik prefereer met links te kauwen, met rechts voelt heel raar’ - nee, ergens en eens is er iets misgegaan met een kroon en aanliggende kiezen, waardoor er dagen zijn dat ik mijn kiezen rechtsbeneden niet eens kan aanraken zonder te gillen. De rechterkant van mijn gebit heb ik al enige tijd geleden afgeschreven, die is slechts voor de sier en irritatie.
Maar nu links ook onbruikbaar was moest er actie worden ondernomen.
En uiteraard daagde dat besef op vrijdagavond.
Ik belde de spoeddienst van de tandarts, en daar werd me verteld dat, oh wonder, mijn eigen tandarts de volgende ochtend dienst zou hebben. Dus als ik het tot dan kon uithouden...?
Welja.
Tegen dat het ochtend was vond ik het eigenlijk al weer een beetje overdreven. Er had in de zompige boterham natuurlijk gewoon een gemeen verdwaald zaadje gezeten dat een gevoelig punt van een vulling had geraakt. Of het was de aangezichtspijn, die een Opperneuroloog enige weken geleden had vastgesteld en waarvoor hij me carbamazepine had voorgeschreven. Die ik, eigenwijs als altijd, niet had ingenomen. Eigen schuld, niets aan de hand.
Maar dat de eigen tandarts dienst had voelde als een Teken, en wat nou als het geen aangezichtspijn was, en het zogenaamd gevoelige punt eigenlijk een breuklijn met instortingsgevaar? Daarbij: ik had Conflicten met mijn moeder en een tandartsafspraak leek me een goede reden om me niet bij haar te hoeven melden maar toch een ochtendvulling (no pun intended) te hebben.
En dus meldde ik me om tien uur bij de tandarts.
Het was bomvol, en iedereen leed duidelijk meer dan ik.
Dikke wangen, reeds verdoofde hangende lippen, zwarte wallen en ongeschoren kaken die doorwaakte nachten suggereerde.
Ik had al meer dan een halfjaar doorwaakte nachten, ik was gehard; die kiespijn stelde echt niets voor (ik was wat wispelturig over de ernst van de pijn, zoveel is duidelijk). Ik zat er feitelijk, vergeleken met de andere patiënten, monter en zorgeloos bij.
Naast me zat een zéér dikke wang, met een meisje eraan vast. Het meisje huilde en trilde. Het meisje was duidelijk doodsbang, en dat vertelde ze ook.
‘Het is niet de pijn, het is gewoon de angst’.
‘Ik heb wel een kalmerende pilletje’, schertste ik.
Ze praatte en praatte, en ik luisterde. Ik steeg boven mezelf uit, ik was er zelf verbaasd van. Ik kan niet met mensen, ik kan niet met zieken en lijdenden, maar ik speelde de rol van mijn leven. Ik was kalm, zorgzaam; bood uiteindelijk in ernst een oxazepam aan en alles werd in dankbaarheid aanvaard.
Zie je, er was een reden geweest dat ik was gekomen. Ik was er niet voor mezelf, maar voor de anderen.
Na drie kwartier wachten en zorgen was ik zelf aan de beurt.
Direct kwam mijn gêne terug. Oh ja. Ik was hier omdat ik me aanstelde.
Ik moest op een sponsje bijten om de pijn te lokaliseren en ik voelde niets. Ik beet harder en voelde iets kleins. AU!, brulde ik overdreven, om mijn aanwezigheid nog enigszins te rechtvaardigen.
De tandarts keek en zag niets.
‘Toch maar een foto maken.’
Ik maakte me heel klein. Als ik onzichtbaar werd viel het ook niet op dat ik haar tijd verspilde.
‘OH!’, brulde nu de tandarts. ‘Ja, dat is heel duidelijk. Die moet ik trekken.’
Pardon??
Op de foto liet ze het zien: in de volstrekt gave huls van mijn verstandskies zat niets. Helemaal niets. Alles wat ooit kies was geweest was nu weg.
Wacht even, ho even.
Hier schrik ik nogal van. Trekken?
Mijn anders zo gematigde, zachte tandarts was nu zeer ferm en stellig.
‘Hij moet eruit. Daar ga ik ook niet met je over in discussie, daar moet nu iets aan worden gedaan, zo kan je niet verder.’
Maar.. mag ik niet nog even naar de wc, mijn moeder bellen?
(Conflicten? Welke conflicten?)
‘Oh, je mag alles. Maar hij gaat er wel nu uit.’
Ik kreeg een lading verdoving ingespoten en ik werd weer de wachtkamer ingestuurd. Als ik eraan toe was kon ik me melden.
Ik belde moeders, moeders kwam, moeders stond erbij en keek er niet naar en ik ook niet. Ook niet toen de tandarts, na mijn halve kaak gemangeld te hebben (hoe kan een rank iel vrouwtje zó hard wrikken en trekken? Hoe kan een krakende kaak zó hard kraken zonder daadwerkelijk te breken?), enthousiast de bloederige kies omhoog hield en begon te vertellen over wat er wel en vooral niet te zien was.
Nog enigszins verbouwereerd en trillerig stond ik, een kleine twintig minuten na het vonnis, weer op straat. Het was halftwaalf, bijna lunchtijd; ik had honger en ik dronk bloed.
Oh jee. Niet weer.
Gaasje, nieuw gaasje, nog een nieuw gaasje; de stapel doordrenkte gaasjes op de rand van mijn wastafel groeide gestaag en het bloeden werd niets minder.
Ik belde nog eens met de spoeddienst en hoorde dat mijn tandarts om vijf uur weer dienst had.
Ik at en dronk niets dan bloed, deed een tukje, wisselde gaasjes en vertrok om vijf uur wederom richting tandarts.
Wat ik veel bloed vind is dat nooit, weet ik uit ervaring.
Het was natuurlijk onzin dat ik terug ging, aansteller; maar ik verschuilde me achter mijn moeders eisende argument dat ik zo echt niet de nacht in kon.
Ik wachtte nog eens een uur, ging heel alleen de behandelkamer in.
Natuurlijk zou ze niets kunnen doen, hooguit nog een nieuw gaasje geven. Maar misschien kon ze dan in elk geval zeggen of ze zeker wist dat mijn kiespijn afkomstig was geweest van die verstandskies, want hij zat zo’n end ervandaan, was het heus...?
Het was heus, zo verzekerde ze me.
Ze keek naar de wond, peurde met één van haar gereedschapjes in het open gat.
Ik voelde geen bloed stromen, zie me daar eens door de mand vallen met mijn....
‘Kan je even afzuigen?’, vroeg de tandarts vrij dringend aan de assistente.
(Ik voelde geen bloed stromen. Hm. Blijkbaar redelijk ongevoelige wangzakken, wellicht handig om bij het volgende bezoek aan de neuroloog te vermelden.)
‘Toch maar proberen te hechten’, mompelde ze voor zich uit.
Zonder verder overleg werd er weer een serie verdoving ingespoten, en nog voor die goed en wel was ingewerkt begon ze aan resterende lapjes tandvlees te trekken en met hechtnaalden te rotzooien. Onder regelmatig afzuigen.
‘Hier, neem deze maar mee’, bood ze gul een nieuw pak gaasjes aan.
‘Je mag alles eten. Vannacht rechtop slapen. Veel sterkte.’
‘Hoe was het?’, toen ik zo mogelijk nog perplexer dan die ochtend weer de wachtkamer in kwam.
Mijn moeder vroeg het wat vermoeid, haast retorisch.
‘Meer verdoving. En hechtingen.’
‘Dat meen je toch niet??’
Ze vond me een held. En ikzelf eigenlijk ook.
De vraag is nu of de aangezichtspijn niet stiekem gewoon deze langzaam afstervende kies is geweest, en ik daarvan nu ook bevrijd ben.
In ieder geval weet ik zeker dat ik noch vanochtend, noch vanmiddag voor niets naar de tandarts ben geweest.
En één ding heb ik wel geleerd: zodra ik denk dat er niets aan de hand is moet ik uitkijken.
Ik geloof alleen niet dat ik dat een geruststellend idee vind..
Maar ik had plannen, ik had massa’s plannen om massa’s dingen om handen te hebben! Alleen, heel andere dingen. Fietsen, buiten zijn. Niet dit. Dit was te weinig actie en te veel avontuur naar mijn zin.
Woensdag begon het. Nou ja, achteraf bezien waarschijnlijk al maanden eerder, maar dat moet nog blijken.
Woensdagmiddag, bij de lunch.
Ik at een zachte, om niet te zeggen: sponzige, bruine boterham met smeerkaas. Toch niet wat je noemt ‘belastend’, voor tanden en kiezen. Niettemin schoot er vanuit het niets en zonder aanwijsbare reden een pijn vanuit een linkerbovenkies omhoog door mijn kaak en schedel. Hete, snijdende pijn; gruwelijke allesverblindende pijn. Die ook net zo snel weer wegtrok als hij gekomen was. Een drukkende pijn, als van overbelaste kaken, was al wat achterbleef. ‘Bleef’ being the operative word. Hij ging niet weg, werd alleen maar erger.
Tegen vrijdag kon ik niet meer kauwen met links. Dat zou zo’n probleem nog niet zijn, ware het niet dat ik met rechts sowieso niet kauwen kan. En dan niet als in ‘ik prefereer met links te kauwen, met rechts voelt heel raar’ - nee, ergens en eens is er iets misgegaan met een kroon en aanliggende kiezen, waardoor er dagen zijn dat ik mijn kiezen rechtsbeneden niet eens kan aanraken zonder te gillen. De rechterkant van mijn gebit heb ik al enige tijd geleden afgeschreven, die is slechts voor de sier en irritatie.
Maar nu links ook onbruikbaar was moest er actie worden ondernomen.
En uiteraard daagde dat besef op vrijdagavond.
Ik belde de spoeddienst van de tandarts, en daar werd me verteld dat, oh wonder, mijn eigen tandarts de volgende ochtend dienst zou hebben. Dus als ik het tot dan kon uithouden...?
Welja.
Tegen dat het ochtend was vond ik het eigenlijk al weer een beetje overdreven. Er had in de zompige boterham natuurlijk gewoon een gemeen verdwaald zaadje gezeten dat een gevoelig punt van een vulling had geraakt. Of het was de aangezichtspijn, die een Opperneuroloog enige weken geleden had vastgesteld en waarvoor hij me carbamazepine had voorgeschreven. Die ik, eigenwijs als altijd, niet had ingenomen. Eigen schuld, niets aan de hand.
Maar dat de eigen tandarts dienst had voelde als een Teken, en wat nou als het geen aangezichtspijn was, en het zogenaamd gevoelige punt eigenlijk een breuklijn met instortingsgevaar? Daarbij: ik had Conflicten met mijn moeder en een tandartsafspraak leek me een goede reden om me niet bij haar te hoeven melden maar toch een ochtendvulling (no pun intended) te hebben.
En dus meldde ik me om tien uur bij de tandarts.
Het was bomvol, en iedereen leed duidelijk meer dan ik.
Dikke wangen, reeds verdoofde hangende lippen, zwarte wallen en ongeschoren kaken die doorwaakte nachten suggereerde.
Ik had al meer dan een halfjaar doorwaakte nachten, ik was gehard; die kiespijn stelde echt niets voor (ik was wat wispelturig over de ernst van de pijn, zoveel is duidelijk). Ik zat er feitelijk, vergeleken met de andere patiënten, monter en zorgeloos bij.
Naast me zat een zéér dikke wang, met een meisje eraan vast. Het meisje huilde en trilde. Het meisje was duidelijk doodsbang, en dat vertelde ze ook.
‘Het is niet de pijn, het is gewoon de angst’.
‘Ik heb wel een kalmerende pilletje’, schertste ik.
Ze praatte en praatte, en ik luisterde. Ik steeg boven mezelf uit, ik was er zelf verbaasd van. Ik kan niet met mensen, ik kan niet met zieken en lijdenden, maar ik speelde de rol van mijn leven. Ik was kalm, zorgzaam; bood uiteindelijk in ernst een oxazepam aan en alles werd in dankbaarheid aanvaard.
Zie je, er was een reden geweest dat ik was gekomen. Ik was er niet voor mezelf, maar voor de anderen.
Na drie kwartier wachten en zorgen was ik zelf aan de beurt.
Direct kwam mijn gêne terug. Oh ja. Ik was hier omdat ik me aanstelde.
Ik moest op een sponsje bijten om de pijn te lokaliseren en ik voelde niets. Ik beet harder en voelde iets kleins. AU!, brulde ik overdreven, om mijn aanwezigheid nog enigszins te rechtvaardigen.
De tandarts keek en zag niets.
‘Toch maar een foto maken.’
Ik maakte me heel klein. Als ik onzichtbaar werd viel het ook niet op dat ik haar tijd verspilde.
‘OH!’, brulde nu de tandarts. ‘Ja, dat is heel duidelijk. Die moet ik trekken.’
Pardon??
Op de foto liet ze het zien: in de volstrekt gave huls van mijn verstandskies zat niets. Helemaal niets. Alles wat ooit kies was geweest was nu weg.
Wacht even, ho even.
Hier schrik ik nogal van. Trekken?
Mijn anders zo gematigde, zachte tandarts was nu zeer ferm en stellig.
‘Hij moet eruit. Daar ga ik ook niet met je over in discussie, daar moet nu iets aan worden gedaan, zo kan je niet verder.’
Maar.. mag ik niet nog even naar de wc, mijn moeder bellen?
(Conflicten? Welke conflicten?)
‘Oh, je mag alles. Maar hij gaat er wel nu uit.’
Ik kreeg een lading verdoving ingespoten en ik werd weer de wachtkamer ingestuurd. Als ik eraan toe was kon ik me melden.
Ik belde moeders, moeders kwam, moeders stond erbij en keek er niet naar en ik ook niet. Ook niet toen de tandarts, na mijn halve kaak gemangeld te hebben (hoe kan een rank iel vrouwtje zó hard wrikken en trekken? Hoe kan een krakende kaak zó hard kraken zonder daadwerkelijk te breken?), enthousiast de bloederige kies omhoog hield en begon te vertellen over wat er wel en vooral niet te zien was.
Nog enigszins verbouwereerd en trillerig stond ik, een kleine twintig minuten na het vonnis, weer op straat. Het was halftwaalf, bijna lunchtijd; ik had honger en ik dronk bloed.
Oh jee. Niet weer.
Gaasje, nieuw gaasje, nog een nieuw gaasje; de stapel doordrenkte gaasjes op de rand van mijn wastafel groeide gestaag en het bloeden werd niets minder.
Ik belde nog eens met de spoeddienst en hoorde dat mijn tandarts om vijf uur weer dienst had.
Ik at en dronk niets dan bloed, deed een tukje, wisselde gaasjes en vertrok om vijf uur wederom richting tandarts.
Wat ik veel bloed vind is dat nooit, weet ik uit ervaring.
Het was natuurlijk onzin dat ik terug ging, aansteller; maar ik verschuilde me achter mijn moeders eisende argument dat ik zo echt niet de nacht in kon.
Ik wachtte nog eens een uur, ging heel alleen de behandelkamer in.
Natuurlijk zou ze niets kunnen doen, hooguit nog een nieuw gaasje geven. Maar misschien kon ze dan in elk geval zeggen of ze zeker wist dat mijn kiespijn afkomstig was geweest van die verstandskies, want hij zat zo’n end ervandaan, was het heus...?
Het was heus, zo verzekerde ze me.
Ze keek naar de wond, peurde met één van haar gereedschapjes in het open gat.
Ik voelde geen bloed stromen, zie me daar eens door de mand vallen met mijn....
‘Kan je even afzuigen?’, vroeg de tandarts vrij dringend aan de assistente.
(Ik voelde geen bloed stromen. Hm. Blijkbaar redelijk ongevoelige wangzakken, wellicht handig om bij het volgende bezoek aan de neuroloog te vermelden.)
‘Toch maar proberen te hechten’, mompelde ze voor zich uit.
Zonder verder overleg werd er weer een serie verdoving ingespoten, en nog voor die goed en wel was ingewerkt begon ze aan resterende lapjes tandvlees te trekken en met hechtnaalden te rotzooien. Onder regelmatig afzuigen.
‘Hier, neem deze maar mee’, bood ze gul een nieuw pak gaasjes aan.
‘Je mag alles eten. Vannacht rechtop slapen. Veel sterkte.’
‘Hoe was het?’, toen ik zo mogelijk nog perplexer dan die ochtend weer de wachtkamer in kwam.
Mijn moeder vroeg het wat vermoeid, haast retorisch.
‘Meer verdoving. En hechtingen.’
‘Dat meen je toch niet??’
Ze vond me een held. En ikzelf eigenlijk ook.
De vraag is nu of de aangezichtspijn niet stiekem gewoon deze langzaam afstervende kies is geweest, en ik daarvan nu ook bevrijd ben.
In ieder geval weet ik zeker dat ik noch vanochtend, noch vanmiddag voor niets naar de tandarts ben geweest.
En één ding heb ik wel geleerd: zodra ik denk dat er niets aan de hand is moet ik uitkijken.
Ik geloof alleen niet dat ik dat een geruststellend idee vind..
1 | 11:44
Acuut
Beetje kiespijn, toch maar spoeddienst, fotootje.
Extractie.
Dit was niet hoe ik me mijn zaterdag had voorgesteld.
Beetje kiespijn, toch maar spoeddienst, fotootje.
Extractie.
Dit was niet hoe ik me mijn zaterdag had voorgesteld.
vrijdag 24 april
4 | 14:07
Potje
Diagnose: 'Collaps door een samenloop van omstandigheden'.
Collaps, dat is chique voor flauwvallen. Times three.
En samenloop van omstandigheden, daar bedoelde de huisarts mee dat ik aan het eind van mijn latijn ben; lichamelijk, geestelijk en emotioneel. Duh.
'Samenloop van omstandigheden'. Hoeveel ongrijpbaarder kan je het hebben.
Ik wou dat mijn lichaam zich eens gewoon aan de regels hield. En met 'De regels' bedoel ik: mijn regels. 't Is tenslotte ook Mijn latijn.
Diagnose: 'Collaps door een samenloop van omstandigheden'.
Collaps, dat is chique voor flauwvallen. Times three.
En samenloop van omstandigheden, daar bedoelde de huisarts mee dat ik aan het eind van mijn latijn ben; lichamelijk, geestelijk en emotioneel. Duh.
'Samenloop van omstandigheden'. Hoeveel ongrijpbaarder kan je het hebben.
Ik wou dat mijn lichaam zich eens gewoon aan de regels hield. En met 'De regels' bedoel ik: mijn regels. 't Is tenslotte ook Mijn latijn.
vrijdag 17 april
3 | 11:35
Zorgeloos
Drie gaatjes had ik. Ze zouden zonder verdoving worden geboord en gevuld, kleine gaatjes, ging best, even tanden op elkaar. Als het me te bar werd moest ik mijn hand opsteken, dan zou ze stoppen.
Gaatje één was net te doen. Zonder overleg stak de tandarts over en begon aan gaatje twee. Om daarna zonder aarzeling of hapering door te gaan met gaatje drie. Bij elke boring verstijfde ik meer, tot ik, strak als een plank, praktisch boven de behandelstoel zweefde. Nog even volhouden, bijna klaar.
Ik voelde het gat dieper en dieper, wijder en wijder worden; de pijn breidde zich evenredig uit tot diep in mijn kaak.
'Ik haal hem hier maar gewoon helemaal weg', hoorde ik de tandarts tegen de assistente mompelen.
WTF?! Die gek was verdorie mijn hele vulling aan het wegbikken, zonder verdoving!!
'Je doet het heel knap, echt heel knap', zei ze vol bewondering tegen mij.
Alsof ik een keus had.
Met hetzelfde enthousiasme als waarmee zij in mijn kaak tekeer ging, spoot de boor water in mijn hals en nek. Ik had beide handen nodig om het slabbetje onder mijn kin richting de overstroming te manoeuvreren - in protest een hand opsteken was er helemaal niet bij.
Mijn tandarts had vroeger de gewoonte om haar buste over mijn gezicht te draperen. Tot ze enige jaren geleden een verrekijkertje op haar bril bevestigde en op een meter afstand haar werk deed.
Achteraf gezien is het vanaf dat moment bergafwaarts gegaan.
Drie gaatjes had ik. Ze zouden zonder verdoving worden geboord en gevuld, kleine gaatjes, ging best, even tanden op elkaar. Als het me te bar werd moest ik mijn hand opsteken, dan zou ze stoppen.
Gaatje één was net te doen. Zonder overleg stak de tandarts over en begon aan gaatje twee. Om daarna zonder aarzeling of hapering door te gaan met gaatje drie. Bij elke boring verstijfde ik meer, tot ik, strak als een plank, praktisch boven de behandelstoel zweefde. Nog even volhouden, bijna klaar.
Ik voelde het gat dieper en dieper, wijder en wijder worden; de pijn breidde zich evenredig uit tot diep in mijn kaak.
'Ik haal hem hier maar gewoon helemaal weg', hoorde ik de tandarts tegen de assistente mompelen.
WTF?! Die gek was verdorie mijn hele vulling aan het wegbikken, zonder verdoving!!
'Je doet het heel knap, echt heel knap', zei ze vol bewondering tegen mij.
Alsof ik een keus had.
Met hetzelfde enthousiasme als waarmee zij in mijn kaak tekeer ging, spoot de boor water in mijn hals en nek. Ik had beide handen nodig om het slabbetje onder mijn kin richting de overstroming te manoeuvreren - in protest een hand opsteken was er helemaal niet bij.
Mijn tandarts had vroeger de gewoonte om haar buste over mijn gezicht te draperen. Tot ze enige jaren geleden een verrekijkertje op haar bril bevestigde en op een meter afstand haar werk deed.
Achteraf gezien is het vanaf dat moment bergafwaarts gegaan.
donderdag 16 april
2 | 16:57
Zorgelijk
Lente.
Eindelijk lente.
Eindelijk, eindelijk, na een winter die van geen ophouden leek.
Kleur, licht, zon. De blauwe lucht, de warmte, de fluitende vogels, de kuikentjes en lammetjes, bloesembomen, zoenende kinderen (14+) in het park.
Lente. Mijn favoriete seizoen.
Ik registreer het, ik herken het, ik weet het.
En ik voel niets.
Lente.
Eindelijk lente.
Eindelijk, eindelijk, na een winter die van geen ophouden leek.
Kleur, licht, zon. De blauwe lucht, de warmte, de fluitende vogels, de kuikentjes en lammetjes, bloesembomen, zoenende kinderen (14+) in het park.
Lente. Mijn favoriete seizoen.
Ik registreer het, ik herken het, ik weet het.
En ik voel niets.
vrijdag 27 februari
4 | 16:02
Onrust
Zo kon het gebeuren dat ik besloot om nieuwe klachten niet meer bij mijn neuroloog te melden.
(Lang verhaal, wellicht voor een andere keer.)
Het besluit bleef bij een voornemen: rond diezelfde tijd stond ik op een ochtend onder de douche, in alle onschuld genietend van dewarme ijskoude stralen, toen mijn pinken vanuit het niets verstijfden en zich vulden met een pijn die ik eerder niet voor mogelijk had gehouden. Tering.
De volgende ochtend herhaalde zich dit proces, de ochtend daarop ook, hoewel mijn onschuld inmiddels was omgeslagen in achterdocht en lichte stress. En toen het de dag dáárna nog niet over was vond ik het tijd worden om eens te informeren bij mijn fysiotherapeute.
P., zo sprak ik; is het normaal dat mijn pinken bij contact met koud water verstijven en ontzettende pijn gaan doen?
‘Wat denk je zelf?’, vroeg P. sarcastisch.
Een vraag waarop elke door de wol geverfde hypochonder het antwoord eigenlijk al weet.
Ok. Wel normaal, zei ik dan ook braaf.
‘Nee!! Jij bent echt niet wijs, natuurlijk is dat niet normaal!’
Oh.
Dat ik naast deze ‘koudwatervrees’ sinds kort bij koud weer de huisdeur niet meer open kon krijgen begon met name mijn ouders de keel uit te hangen; ik wachtte nog een week en maakte toen een afspraak met de huisarts. De huisarts zei dat het ‘zijn expertise te boven ging’ en stuurde me eerst door naar de neuroloog, om een eventueel verband met MS uit te sluiten; de neuroloog sloot uit en stuurde terug, de huisarts schreef een verwijzing voor de reumatoloog, alwaar ik mij vanochtend meldde.
Tevoren had ik eerst, behalve mijn symptomen, ook de arts gegoogled; niet in de laatste plaats om zeker te weten of ik zijn onuitsprekelijke naam goed had geschreven.
Laten we hem hier voor het gemak Tchaikovsky noemen.
Tchaikovsky bleek een hoogbejaarde arts-assistent van 39 te zijn, die eerst was gepromoveerd. Dat wekte vertrouwen. Bejaarde arts-ass.en zijn prettiger dan de kindertjes die je normaal krijgt, en die promotie suggereerde Kennis en Vaardigheden die mooi meegenomen waren.
Tchaikovsky riep me binnen, gaf een hand en stelde zich vervolgens voor met een totaal andere naam. Nou ja, niet totaal totaal – hij noemde zich niet ineens Smit of De Vries, maar hij slikte een letter of vijftig in, maakte er iets van dat eerder op Tchaky leek. Een beetje als Worcester (dat, zoals we allemaal weten, wordt uitgesproken als ‘Woester’ en beslist niet als ‘Wortsjester’). Een verkorting die hij compenseerde door zijn voornaam van allerhande achtervoegsels te voorzien. Pjotritsj, zeg maar.
Maar al het andere klopte. Het klopte zozeer dat ik Tchaky onmiddellijk in mijn hart sloot.
Hij was de belichaming van alles wat Russisch was; of eerder clichématig Russisch. Vet accent, vette kop. Een gigant, een os; kolenschoppen van handen, kwaaie brandende ogen. Een slager, een beul. En om het helemaal af te maken walmde de hele kamer naar drank.
Nou heb ik alles tegen artsen die naar drank ruiken, maar als gezegd: het klopte, het klikte. Alles klopte, behalve dat hij arts was, maar dat zijn details waarover je niet moet vallen.
Hij was bruut, ongeduldig, kortaf; liet me niet uitspreken, eiste tegelijk dat ik wel moest zwijgen tot hij was uitgesproken – maar hij was grondig en zorgvuldig en maakte een interessante stemming in me los, een vreemde combinatie van agressie en uitbundige vrolijkheid.
‘Wat heeft u daar’, snauwde hij met een blik op mijn geschaafde hand.
Ongelukje.
‘Wat voor ongelukje?’
Muur.
‘Waarom doet u dat?!’, viel hij uit.
Nou ja! Daarvoor is het toch een onge–
Hij ging alweer verder.
‘Zijn er in uw familie ook reumatische klachten?’
Ja, de moeder van mijn v–
‘Dat is te ver weg. Ik bedoel uw eigen moeder of vader, of broers of zusters.’
(Hallo! Je zei zelf ‘familie’ – ik mag mijn vaders moeder danwel nooit persoonlijk gekend hebben, DNA-technisch is ze toch echt familie!)
‘Die bloedblaren, waar in uw mond heeft u die?'
Overal. Op mijn tong, aan de binnenkant van mijn wang, op mijn gehe–
‘En waarom zouden die niet gewoon door bijten ontstaan?'
Het is nogal moeilijk om op je eigen gehemelte te bijten...
‘Maar dat zei u niet, dat u ze ook op uw gehemelte heeft!'
Ik was nog bezig met antwoord geven, u onderbrak me...
‘Hoe lang bent u?’
1 Meter 76. En ik weeg X kilo.
‘Nee, daar kom ik straks op, straks gaan we u wegen.’
(en ‘straks’:)
‘Ziet u wel!’. Triomfantelijk, alsof hij een al aangekondigd ongelijk van mij had bewezen; ‘X-punt-3 kilo’.
Sorry hoor.
Zo stonden we, in de kleine twintig minuten dat ik binnen was, doorlopend op de rand van heftige ruzie, afgewisseld met hartelijk gelach.
Was het een slechte film geweest, dan had ik hem een draai om zijn oren gegeven, hij mij er één terug, waarna we elkaar even hartstochtelijk in de armen waren gevallen.
Maar gelukkig was het een goede film, en bovendienben ik zo preuts als wat ken ik mijn grenzen ken ik mijn plaats ben ik zo preuts als wat.
Hij vroeg en schreef, commandeerde dat ik me moest uitkleden, kneep en prikte in me, draaide al mijn gewrichten los en weer vast, marcheerde na zijn onderzoek terug naar zijn bureau en liet het aan mijn eigen inzicht over of ik me weer kon aankleden. Op mijn toch wat schuchtere verzoek om toestemming reageerde hij bijna viezig, om zoveel gebrek aan eigen initiatief. Alsof hij elke andere vorm van initiatief de afgelopen minuten wèl had gewaardeerd.
Hij dacht op dit moment nog niet aan reuma.
Nee, allicht niet, ik ook niet, maar reumatologie is het enige specialisme dat iets doet met pijnlijke gewrichten, ik zou niet weten waar ik anders heen had gemoeten.
Niettemin wou hij foto’s, en bloedonderzoek. Je kon nooit weten. En over vier weken moest ik terugkomen. Maar mocht ik nou bijvoorbeeld morgen wakker worden met totaal verkrampte handen, dan moest ik niet zo lang wachten. Was ik ook niet van plan.
Had ik nog vragen?
Ik dacht na.
Nee, niet echt.
‘Dat geloof ik niet’, zei hij beslist.
Ik dacht nog dieper na. Peinzend, filosoferend, introspecterend. Grappig, ik had echt geen vragen. Ongewoon. Hooguit over hem persoonlijk.
Ik heb u gegoogled, zei ik dus.
‘Vertel!’
Hij volgde direct mijn voorbeeld en begon driftig te typen.
‘Wat veel!’, riep hij uit.
Tsja..
(Wat moest ik daar nou op zeggen?)
Ik vroeg om opheldering over de in mijn ogen ongewone volgorde van eerst promoveren en dan specialiseren, hij ontkende en ontkrachtte deze vermeende ongewoonheid, sprak nogmaals zijn verbazing uit over het grote aantal resultaten op de querie. ‘In het begin, toen het allemaal nog maar net bestond’.... – lang, lang geleden, toen we allemaal nog klein waren en internet pas geboren was. Mooie tijden.
‘Het was me aangenaam kennis te maken’.
Mij ook.
Graag tot over vier weken, goed weekend gewenst.
Het zou nog lang onrustig blijven.
Zo kon het gebeuren dat ik besloot om nieuwe klachten niet meer bij mijn neuroloog te melden.
(Lang verhaal, wellicht voor een andere keer.)
Het besluit bleef bij een voornemen: rond diezelfde tijd stond ik op een ochtend onder de douche, in alle onschuld genietend van de
De volgende ochtend herhaalde zich dit proces, de ochtend daarop ook, hoewel mijn onschuld inmiddels was omgeslagen in achterdocht en lichte stress. En toen het de dag dáárna nog niet over was vond ik het tijd worden om eens te informeren bij mijn fysiotherapeute.
P., zo sprak ik; is het normaal dat mijn pinken bij contact met koud water verstijven en ontzettende pijn gaan doen?
‘Wat denk je zelf?’, vroeg P. sarcastisch.
Een vraag waarop elke door de wol geverfde hypochonder het antwoord eigenlijk al weet.
Ok. Wel normaal, zei ik dan ook braaf.
‘Nee!! Jij bent echt niet wijs, natuurlijk is dat niet normaal!’
Oh.
Dat ik naast deze ‘koudwatervrees’ sinds kort bij koud weer de huisdeur niet meer open kon krijgen begon met name mijn ouders de keel uit te hangen; ik wachtte nog een week en maakte toen een afspraak met de huisarts. De huisarts zei dat het ‘zijn expertise te boven ging’ en stuurde me eerst door naar de neuroloog, om een eventueel verband met MS uit te sluiten; de neuroloog sloot uit en stuurde terug, de huisarts schreef een verwijzing voor de reumatoloog, alwaar ik mij vanochtend meldde.
Tevoren had ik eerst, behalve mijn symptomen, ook de arts gegoogled; niet in de laatste plaats om zeker te weten of ik zijn onuitsprekelijke naam goed had geschreven.
Laten we hem hier voor het gemak Tchaikovsky noemen.
Tchaikovsky bleek een hoogbejaarde arts-assistent van 39 te zijn, die eerst was gepromoveerd. Dat wekte vertrouwen. Bejaarde arts-ass.en zijn prettiger dan de kindertjes die je normaal krijgt, en die promotie suggereerde Kennis en Vaardigheden die mooi meegenomen waren.
Tchaikovsky riep me binnen, gaf een hand en stelde zich vervolgens voor met een totaal andere naam. Nou ja, niet totaal totaal – hij noemde zich niet ineens Smit of De Vries, maar hij slikte een letter of vijftig in, maakte er iets van dat eerder op Tchaky leek. Een beetje als Worcester (dat, zoals we allemaal weten, wordt uitgesproken als ‘Woester’ en beslist niet als ‘Wortsjester’). Een verkorting die hij compenseerde door zijn voornaam van allerhande achtervoegsels te voorzien. Pjotritsj, zeg maar.
Maar al het andere klopte. Het klopte zozeer dat ik Tchaky onmiddellijk in mijn hart sloot.
Hij was de belichaming van alles wat Russisch was; of eerder clichématig Russisch. Vet accent, vette kop. Een gigant, een os; kolenschoppen van handen, kwaaie brandende ogen. Een slager, een beul. En om het helemaal af te maken walmde de hele kamer naar drank.
Nou heb ik alles tegen artsen die naar drank ruiken, maar als gezegd: het klopte, het klikte. Alles klopte, behalve dat hij arts was, maar dat zijn details waarover je niet moet vallen.
Hij was bruut, ongeduldig, kortaf; liet me niet uitspreken, eiste tegelijk dat ik wel moest zwijgen tot hij was uitgesproken – maar hij was grondig en zorgvuldig en maakte een interessante stemming in me los, een vreemde combinatie van agressie en uitbundige vrolijkheid.
‘Wat heeft u daar’, snauwde hij met een blik op mijn geschaafde hand.
Ongelukje.
‘Wat voor ongelukje?’
Muur.
‘Waarom doet u dat?!’, viel hij uit.
Nou ja! Daarvoor is het toch een onge–
Hij ging alweer verder.
‘Zijn er in uw familie ook reumatische klachten?’
Ja, de moeder van mijn v–
‘Dat is te ver weg. Ik bedoel uw eigen moeder of vader, of broers of zusters.’
(Hallo! Je zei zelf ‘familie’ – ik mag mijn vaders moeder danwel nooit persoonlijk gekend hebben, DNA-technisch is ze toch echt familie!)
‘Die bloedblaren, waar in uw mond heeft u die?'
Overal. Op mijn tong, aan de binnenkant van mijn wang, op mijn gehe–
‘En waarom zouden die niet gewoon door bijten ontstaan?'
Het is nogal moeilijk om op je eigen gehemelte te bijten...
‘Maar dat zei u niet, dat u ze ook op uw gehemelte heeft!'
Ik was nog bezig met antwoord geven, u onderbrak me...
‘Hoe lang bent u?’
1 Meter 76. En ik weeg X kilo.
‘Nee, daar kom ik straks op, straks gaan we u wegen.’
(en ‘straks’:)
‘Ziet u wel!’. Triomfantelijk, alsof hij een al aangekondigd ongelijk van mij had bewezen; ‘X-punt-3 kilo’.
Sorry hoor.
Zo stonden we, in de kleine twintig minuten dat ik binnen was, doorlopend op de rand van heftige ruzie, afgewisseld met hartelijk gelach.
Was het een slechte film geweest, dan had ik hem een draai om zijn oren gegeven, hij mij er één terug, waarna we elkaar even hartstochtelijk in de armen waren gevallen.
Maar gelukkig was het een goede film, en bovendien
Hij vroeg en schreef, commandeerde dat ik me moest uitkleden, kneep en prikte in me, draaide al mijn gewrichten los en weer vast, marcheerde na zijn onderzoek terug naar zijn bureau en liet het aan mijn eigen inzicht over of ik me weer kon aankleden. Op mijn toch wat schuchtere verzoek om toestemming reageerde hij bijna viezig, om zoveel gebrek aan eigen initiatief. Alsof hij elke andere vorm van initiatief de afgelopen minuten wèl had gewaardeerd.
Hij dacht op dit moment nog niet aan reuma.
Nee, allicht niet, ik ook niet, maar reumatologie is het enige specialisme dat iets doet met pijnlijke gewrichten, ik zou niet weten waar ik anders heen had gemoeten.
Niettemin wou hij foto’s, en bloedonderzoek. Je kon nooit weten. En over vier weken moest ik terugkomen. Maar mocht ik nou bijvoorbeeld morgen wakker worden met totaal verkrampte handen, dan moest ik niet zo lang wachten. Was ik ook niet van plan.
Had ik nog vragen?
Ik dacht na.
Nee, niet echt.
‘Dat geloof ik niet’, zei hij beslist.
Ik dacht nog dieper na. Peinzend, filosoferend, introspecterend. Grappig, ik had echt geen vragen. Ongewoon. Hooguit over hem persoonlijk.
Ik heb u gegoogled, zei ik dus.
‘Vertel!’
Hij volgde direct mijn voorbeeld en begon driftig te typen.
‘Wat veel!’, riep hij uit.
Tsja..
(Wat moest ik daar nou op zeggen?)
Ik vroeg om opheldering over de in mijn ogen ongewone volgorde van eerst promoveren en dan specialiseren, hij ontkende en ontkrachtte deze vermeende ongewoonheid, sprak nogmaals zijn verbazing uit over het grote aantal resultaten op de querie. ‘In het begin, toen het allemaal nog maar net bestond’.... – lang, lang geleden, toen we allemaal nog klein waren en internet pas geboren was. Mooie tijden.
‘Het was me aangenaam kennis te maken’.
Mij ook.
Graag tot over vier weken, goed weekend gewenst.
Het zou nog lang onrustig blijven.
donderdag 26 februari
3 | 18:35
Autisme-spectrum-stoornis
Geen wortel.
In keuken, koelkast, boodschappentas van alles te vinden, maar geen wortel.
En dus, na maanden van elke avond wortel bij het eten - bloemkool met wortel, pastinaak met wortel, sperciebonen met wortel, broccoli met wortel maar nooit zonder die wortel - nu een wortelloze maaltijd. Totale ontzetting, blinde paniek. Met recht ontworteld.
Hoe heeft het zover kunnen komen??
(en dan weet ik niet eens of ik daarmee doel op het feit dat ik vergeten ben wortels te kopen, of op mijn ridicule en zo starre eetpatroon)
Denk aan mij, duim voor mij, vertel me bemoedigende leugens.
Geen wortel.
In keuken, koelkast, boodschappentas van alles te vinden, maar geen wortel.
En dus, na maanden van elke avond wortel bij het eten - bloemkool met wortel, pastinaak met wortel, sperciebonen met wortel, broccoli met wortel maar nooit zonder die wortel - nu een wortelloze maaltijd. Totale ontzetting, blinde paniek. Met recht ontworteld.
Hoe heeft het zover kunnen komen??
(en dan weet ik niet eens of ik daarmee doel op het feit dat ik vergeten ben wortels te kopen, of op mijn ridicule en zo starre eetpatroon)
Denk aan mij, duim voor mij, vertel me bemoedigende leugens.
woensdag 25 februari
3 | 15:05
Zo moeder, zo dochter
‘Alleen als er echt iets héél serieus is mag je me bellen. Anders heel beslist niet.’
Wat is ‘heel serieus’?
‘Als 'ie buikgriep heeft.’
Oh. Ok. Dus bij een beroerte niet bellen?
‘Nee.’
Gedeelde fobievreugd is dubbele fobievreugd, zullen we maar zeggen.
‘Alleen als er echt iets héél serieus is mag je me bellen. Anders heel beslist niet.’
Wat is ‘heel serieus’?
‘Als 'ie buikgriep heeft.’
Oh. Ok. Dus bij een beroerte niet bellen?
‘Nee.’
Gedeelde fobievreugd is dubbele fobievreugd, zullen we maar zeggen.